Waarom Amsterdam migranten, werklozen en daklozen met open armen verwelkomde in de negentiende eeuw
In dit artikel:
Op 15 september 1870 stonden de negenjarige Elias Salomon Kapeé, zijn zesjarige broertje Alexander en de elfjarige Manuel Cousin bij een perceel aan de Amstel om mensen aan te houden; zes dagen later verschenen ze voor bedelarij voor de arrondissementsbank. Elias werd veroordeeld tot acht dagen gevangenisstraf, de anderen vrijgesproken en aan hun ouders teruggegeven. Deze zaak illustreert de paradox van het laat‑negentiende‑eeuwse Amsterdam: zichtbare armoede en tijdelijke hardheid in individuele straffen tegenover een algemene, verrassend ruime tolerantie ten opzichte van bedelaars en landlopers.
In de periode 1840–1900 veranderde Amsterdam snel: de bevolking groeide van ongeveer 211.000 naar 510.000 inwoners. Tegelijk nam de instroom van migranten sterk toe; tussen circa 1855 en de late jaren 1880 steeg het aantal nieuwkomers van 1,4 naar 12,1 per duizend inwoners. Gemeenten en Kamerleden maakten zich zorgen over overbelasting van armenzorg, concurrentie op de arbeidsmarkt en mogelijke criminaliteit, wat leidde tot maatregelen als de Vreemdelingenwet van 1849. Toch laten de cijfers zien dat meer migratie niet automatisch tot meer misdaad leidde: het bruto aantal delicten per 100.000 inwoners bleef rond de vijfhonderd schommelen.
Wél was de kans groter dat buitenstaanders werden aangeklaagd voor bedelarij of landloperij. Toch waren de straffen in de praktijk relatief mild. Sinds de wetgeving van 1811 gold juridische gelijkheid, maar rechters hadden speelruimte: de strafmaat voor bedelarij varieerde wettelijk van veertien dagen tot zes maanden. In Amsterdam viel de gemiddelde gevangenisstraf vaak lager uit, ongeveer drie à vier weken. Vanaf 1870 namen rechtbanken regelmatig verzachtende omstandigheden mee in de beoordeling, vooral bij ouderen en zieken die slecht aan werk konden komen.
De verklaring voor die relatieve soepelheid ligt vooral in de economie en de armenzorg van de stad. Na 1850 groeide vooral de havenactiviteit, een ontwikkeling die werd versterkt door de opening van het Noordzeekanaal in 1876. Ook de bouw beleefde een opleving—met een bouwhonger tussen 1879 en 1883—waardoor veel laaggeschoold werk beschikbaar kwam. Maar dat werk was doorgaans seizoensgebonden en flexibel; havenbedrijven en aannemers namen vaak losse arbeidskrachten aan en zetten ze bij mindere drukte weer op straat. Voor veel migranten betekende dat periodes van werkloosheid en tijdelijk bedelen als overbrugging.
De Amsterdamse armenzorg speelde een aanvullende rol: dankzij een lange traditie van particuliere giften en georganiseerde hulp konden zieke en oudere armlastigen in gasthuizen terecht, terwijl ‘gezonde’ armen eenvoudige steun kregen om te overleven. Lokale armbesturen en ondernemers hadden er belang bij dat een buffervoorraad van goedkope, mobiele arbeidskrachten in de stad bleef; te strenge vervolging zou dat ondermijnen. Daarom koos de stad er grotendeels voor niet hard te straffen, maar armoede pragmatisch te reguleren.
Dit artikel is een ingekorte bewerking van onderzoek van Henk van Essen (bachelorscriptie, Universiteit Leiden), gepubliceerd in Ons Amsterdam, en richt zich op de wisselwerking tussen economie, armenzorg en strafrechtelijke tolerantie jegens bedelaars in 19de‑eeuws Amsterdam.
De Oranjezomer: 'Wat mij opvalt is dat de naam van Mark van Bommel niet voor het Nederlands Elftal genoemd is'