Oorlogskinderen uit Den Helder vertellen hun verhaal: "Mijn moeder was altijd bang"
In dit artikel:
Als kind moesten Trees, Jaap en Dick hun thuis in Den Helder ontvluchten toen de marinestad tijdens de Tweede Wereldoorlog onder vuur kwam te liggen. Den Helder werd in die jaren naar verluidt 117 keer gebombardeerd — vooral door geallieerde aanvallen — en ongeveer 30.000 bewoners werden tijdelijk of definitief geëvacueerd; aan het eind van de oorlog woonden nog zo’n 7.000 mensen in de stad. Veel huizen werden verwoest of gesloopt om schootsvelden voor Duitse kanonnen te creëren.
De herinneringen van deze en negentien andere vluchtelingen zijn vastgelegd in het nieuwe boek In angst en ballingschap van Frits Kool. Kool trok door het land en sprak met ooggetuigen en nabestaanden — zijn eigen grootouders en moeder waren ook vluchtelingen — om die persoonlijke verhalen voor het nageslacht te bewaren.
De getuigenissen schetsen uiteenlopende beelden: sommige kinderen, zoals Jaap en Dick, vertrokken in juni 1940 razendsnel tijdens bombardementen en vonden tijdelijk onderdak bij familie op plaatsen als Julianadorp, Texel en ’t Zand. Anderen, zoals Trees, werden in 1944 definitief weggejaagd en belandden met een handwagen bij verwanten in Spierdijk, waar ze ook betrokken raakten bij het verspreiden van clandestiene berichten. Terwijl kinderen hun tijd soms als spannend of avontuurlijk herinneren — spelen, slootspringen, stiekem brood meenemen — leefden hun ouders continu met angst en verantwoordelijkheidsgevoel; mannen gingen vaak overdag terug om te werken of te helpen.
Na de bevrijding moest Den Helder grotendeels herbouwd worden; voor veel gezinnen bleef er geen ongeschonden huis over. Het boek probeert die persoonlijke dimensie van evacuatie, verlies en herstel een plek te geven in de geschiedschrijving.