Kunstenaars in Dublin floreren dankzij een basisinkomen, is dat iets voor Amsterdam?
In dit artikel:
Ierland voert als eerste land ter wereld structureel een basisinkomen voor kunstenaars in. Na een proef die in 2022 startte — waarbij 2.000 kunstenaars drie jaar lang €325 per week ontvingen — zet de overheid het instrument om in beleid: vanaf september krijgen telkens 2.000 kunstenaars gedurende drie jaar het bedrag; daarna volgt een nieuwe groep van 2.000. Kandidaten kunnen zich vanaf mei aanmelden; ontvangers worden door loting gekozen. Cultuurminister Patrick O’Donovan noemt het een ingrijpende stap in de waardering van kunst en cultuur.
Onderzoekers en betrokkenen rapporteren duidelijke effecten. De pilot gaf veel deelnemers voor het eerst echte financiële ademruimte, vooral in Dublin waar bijna 40% van de Ierse kunstenaars woont en waar hoge huren en gebrek aan betaalbare werkruimtes de norm zijn. Hoewel €325 per week niet altijd toereikend is om volledig van te leven, fungeerde het bedrag als vangnet: kunstenaars besteedden gemiddeld drie uur per week minder aan nevenwerk en vier uur meer aan hun kunst, wat leidde tot meer afgeronde projecten en publieksactiviteiten. Voor individuele makers betekende het vaak dat ze minder hoefden te lesgeven of bij te klussen, dat ze konden experimenteren — zelfs tijdens een zwangerschap — of dat ze een vaste baan durfden opzeggen en een eigen bedrijf uitbouwden.
Ook de mentale baten waren zichtbaar: deelnemers meldden minder depressieve gevoelens en sommigen konden therapie betalen. Een kosten-batenanalyse toont bovendien dat de proef financieel niet alleen een kostenpost was: de totale pilot kostte circa €114 miljoen, waarvan ongeveer 37% terugverdiend werd via belastingen en besparingen op sociale zekerheid. Daarnaast leverde de pilot meer dan €100 miljoen aan sociaaleconomische voordelen op; onderzoekers berekenden dat elke geïnvesteerde euro ongeveer €1,39 opleverde.
De invoering van het basisinkomen kwam volgens deskundigen mede tot stand door een samenloop van factoren: een reeds bestaande politieke interesse in universele basisinkomens, een actieve kunstlobby en ervaring uit coronajaren waarin de maatschappelijke waarde van cultuur duidelijk werd. Daardoor was de weerstand beperkt en ontstond draagvlak.
De Nederlandse situatie — en dan met name Amsterdam — vertoont overeenkomsten: veel makers worstelen financieel, sommigen zakken onder de armoedegrens en vertrekken zelfs uit de stad. Hoewel Amsterdamser plannen voor cultuur bestaan en het Fonds voor Cultuurparticipatie nieuwe subsidieroutes opende om procesgericht werk te ondersteunen, staat een basisinkomen voor kunstenaars nog niet op de politieke agenda. Voorstanders wijzen erop dat het Ierse experiment laat zien dat waardering van kunst minder over directe productiviteit gaat en meer over het erkennen van tijd, ruimte en onmeetbare creatieve processen.