Zo verzette de grootste wapenfabriek zich tegen de Duitse bezetter
In dit artikel:
Als de Duitse invasie in mei 1940 Nederland bereikt, zetten directie en personeel van de Artillerie-Inrichtingen op het Hembrugterrein in Zaandam onmiddellijk plannen in werking om te voorkomen dat de grootste wapenfabriek van het land de Duitsers zou bevoorraden. Directeur Franciscus Querien den Hollander, die net vier maanden in functie was, bedacht aanvankelijk het plan de fabriek op te blazen, maar dat werd door de Nederlandse regering verboden uit oogpunt van oorlogsrecht. Den Hollander weigerde vervolgens voor de bezetter te werken en nam ontslag; op aandringen van het personeel bleef hij uiteindelijk aan.
Om de productie van oorlogsmaterieel te beperken ontsloeg hij duizenden arbeiders en liet de fabriek vooral landbouwmachines maken. Tegelijk voerden medewerkers heimelijke acties: wapens die nog aanwezig waren werden over het terrein gesmokkeld en via rijtjes arbeiderswoningen naast het hek naar verzetsgroepen gebracht. De aanwezigheid van pro-Duitse werknemers maakte die smokkels riskant. Ook werden geleverde wapens gesaboteerd — bijvoorbeeld door ijzervijzel in loopkanalen te brengen of vakkundig te klein uit te boren zodat ze op het slagveld zouden ontploffen.
In 1943 werd Den Hollander door de Duitsers met wachtgeld weggestuurd, maar hij bleef actief in het verzet, onder meer via het Nationaal Steunfonds en in samenwerking met verzetsbankier Walraven van Hall. Na de oorlog werd hij directeur van de Nederlandse Spoorwegen. Het Hembrugterrein verandert nu in een woonwijk, maar enkele gebouwen en een tentoonstellingsruimte herinneren nog aan de rijke en gevaarlijke verzetsgeschiedenis van de fabriek.