SOS Dolfijn heeft handen vol aan gestrande witsnuitdolfijn Albi
In dit artikel:
Zondag spoelde bij Egmond aan Zee een zeldzame witsnuitdolfijn aan. Het ruim twee meter lange dier werd overgebracht naar opvangcentrum SOS Dolfijn in Anna Paulowna, waar vrijwilligers het continu verzorgen en proberen te leren weer zelfstandig te zwemmen. Het team moet de kop van het dier voortdurend boven water houden en rotaties van vrijwilligers draaien dag en nacht; Jeroen Hoekendijk van SOS Dolfijn zegt dat ze “het piept en het kraakt.”
De prognose voor de dolfijn, die de naam Albi kreeg (naar Lagenorhynchus albirostris), is onzeker: het dier kan elk moment achteruitgaan en de verzorging wordt van minuut tot minuut gevolgd. Het is de eerste witsnuitdolfijn in het centrum sinds 2011 en de derde ooit; de eerdere twee overleefden niet. De vinders, waaronder Emiel Kallenkoot en zijn dochter, hielpen het dier zondagavond uit de branding en kregen instructies van de zeehondenopvang over hoe te handelen.
SOS Dolfijn ervaart een uitzonderlijk drukke periode: in februari werd een gewone dolfijn (Djay‑Lynn) uit Friesland opgevangen en in maart kwamen vijf bruinvissen binnen. Dit voorjaar zijn er langs de Nederlandse kust al waarnemingen geweest van acht verschillende walvisachtige soorten, van een beluga en bultruggen tot een aangespoelde potvis in Zeeland. De oorzaken van al die strandingen en doorkomsten zijn per geval verschillend en niet eenvoudig te verklaren.
Het opvangcentrum heeft slechts twee bassins; Albi zit in één, de drie overgebleven bruinvissen in het andere. Als de capaciteit bereikt is, moeten moeilijke keuzes worden gemaakt: geen rehabilitatie starten en kiezen tussen euthanasie op het strand of directe uitzetting waarbij de kans op overleving klein is. Ondanks de zware, 24‑uurszorg blijven de vrijwilligers gemotiveerd: het werk is fysiek uitputtend maar geeft ook veel adrenaline en betrokkenheid.