De eerste bewoners van deze buurt moesten erg wennen: de huizen waren net 'paleizen', met stromend water en riolering

maandag, 25 mei 2026 (11:48) - Het Parool

In dit artikel:

De Handwerkers Vriendenkring (HWV) ontstond in 1869 uit een initiatief van liberale notabelen die de schrijnendste armoede in Amsterdam wilden bestrijden. De organisatie richtte zich vooral op de Joodse arbeiderswijken rond het Waterlooplein en de eilanden Uilenburg, Rapenburg en Marken, waar veel mensen in krotten en kelders leefden en door eerdere uitsluiting van gilden weinig ambachtelijke kansen hadden. De HWV verstrekte kleine leningen voor gereedschap, organiseerde opleidingen en cursussen in het verenigingslokaal aan de Nieuwe Achtergracht, hield een bibliotheek en betaalde schoolgang voor kinderen van leden. Leden kwamen uit uiteenlopende beroepen; diamantbewerkers vormden de grootste groep.

Nadat in 1894 de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond de arbeidersemancipatie op zich nam, verbreedde de HWV haar taken: ze beheerde badhuizen, richtte het eerste Amsterdamse ziekenfonds (Ziekenzorg) op, startte nijverheidsscholen en zette in 1911 het Bouwfonds Handwerkers Vriendenkring op voor de bouw van arbeiderswoningen. De Woningwet van 1901 speelde hierbij een belangrijke rol: gemeenten kregen verantwoordelijkheden voor de woonomstandigheden en organisaties konden subsidie aanvragen voor huurhuizen. Amsterdam startte saneringen in de sterk verpauperde Jodenbuurt (met Uilenburg als prioriteit) en schakelde ingenieur J.W.C. Tellegen in; als vertrouwde partner koos de gemeente de HWV.

Omdat veel oorspronkelijke bewoners niet naar de nieuwe, ruimere straten konden terugkeren, kwamen woningen elders, onder meer in de toen in aanbouw zijnde Transvaalbuurt. Diverse woningbouwverenigingen realiseerden er hun eerste complexen; het bescheiden blok van de HWV aan de Maritzstraat (1917) was meer een experiment. De nieuwbouw bood moderne voorzieningen (stromend water, riolering, aparte kamers) en toezichthouders begeleidden bewoners bij het “correct” gebruik van de woningen. Cultureel tekende de buurt zich door een sterke sociale cohesie: religieuze tradities verdwenen grotendeels maar er bleef een gedeeld Joods-cultureel leven, met typische winkels en keukengewoonten, terwijl veel bewoners zich politiek identificeerden met socialistische of communistische idealen.

Het pacificerende sociale bestel eiste een wrede ommekeer onder de nazi-bezetting: in november 1941 werd de HWV gedwongen opgeheven omdat de vereniging volgens de bezetter een Joodse meerderheid had; bestuur en bezittingen, waaronder het ziekenfonds, werden onteigend. In april 1942 verloor ook het Bouwfonds zijn bestuur en gingen de woningen over naar de Gemeentelijke Woningdienst. In de daaropvolgende jaren werden bijna alle bewoners gedeporteerd en vermoord; na de oorlog was de Transvaalbuurt een spookstad en waren veel huizen in de Hongerwinter tot brandhout vergaan. Dit artikel is een bewerking uit het meinummer van Ons Amsterdam over de Transvaalbuurt.